Afstand tot zijn Vaderstad
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog
Jezus komt in zijn vaderstad Nazareth
Na lange tijd thuiskomen in je geboorteplaats is een gemengde ervaring. Het voelt vertrouwd, want je kent alle bomen en alle straten. Alle huizen roepen herinneringen bij je op. Dat is het huis van meneer Cozijn en daar woonde altijd een kromme oude vrouw. Maar het is ook vreemd, want je ziet de veranderingen. De huizen, de winkels die verdwenen zijn of van eigenaar veranderd. En ook de mensen zijn veranderd. Ze zijn verhuisd, gestorven of veranderd

Jij zelf bent ook veranderd. En als je oude klasgenoten tegenkomt, dan is er meteen weer die oude klik, maar je weet ook dat het niet helemaal klopt, want je deelt niet meer dezelfde vanzelfsprekendheden.

 Jezus begint zijn tocht door Galilea.en de faam over de woorden die hij spreekt verbreidt zich. Hij komt ook in Nazareth, waar hij vandaan komt. Hij gaat op de sabbath naar de synagoge, hij mag daar voorlezen en dan leest hij uit Jesaja de woorden ‘De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, en aan blinden het herstel van hun zicht. Om te verkondigen het aangename jaar des Heren’.
 En vervolgens zegt hij: zo iemand ben ik. Dit is mijn opdracht, om dat aangename jaar des Heren, om de tijd van God te verkondigen.. In de synagoge van zijn geboorteplaats presenteert hij zich als de mens die hij geworden is. En de mensen zijn laaiend enthousiast. Ze vallen hem bij. “Is dat niet de zoon van Jozef?” vragen ze en je kan je indenken dat in die vraag niet alleen verwondering doorklinkt maar ook trots. Dat is toch maar de zoon van ''ús Josef".

 Het is, in het evangelie van Lucas,  Jezus zelf die afstand houdt. “Jullie zullen nu ook wel willen dat ik de dingen die ik Kafarnaüm gedaan heb, hier in mijn thuisstad Nazareth doe. Maar dat doe ik niet. Hier in Nazareth ga ik niet genezen en al die andere dingen doen. Hier wordt het geen aangenaam jaar van God. En eigenlijk heeft geen profeet dat ooit gedaan. Kijk maar naar Elia, die ver weg in Sidon in Libanon onderdak vond en een weduwe hielp. Of denk maar aan Elisa die een melaatse man uit Syrië hielp, terwijl er toch melaatsen in Israël waren.

 Dat maakt hen woedend. Jezus wil er niet zijn voor hen zijn. Voor zijn eigen mensen. Meer nog, hij daagt hen uit met woorden uit de Schriften. En de mensen die zojuist bij wijze van spreken nog ‘Hosanna’ geroepen hebben over hun Jezus, worden zo boos dat ze hem de stad uit drijven. Ze werpen hem uit hun gemeenschap. Hij hoort er niet meer bij ons, hij is een ‘outcast’. Ja, het gaat nog verder. Ze willen hem, zoals men dat doet met een zondebok, in het ravijn werpen.Jezus bij ravijn Nazareth

Een tijdje geleden had je die reclame op de televisie van een jongen die in een geweldige sportcar de reunie van zijn oude school bezoekt. Hij wil daar de popie-jopie zijn die het helemaal gemaakt heeft. Maar hij valt onmiddellijk door de mand - en het blijkt dat hij zijn sportwagen voor een dagje gehuurd heeft. Er zijn Marokkanen die in het dorpje waar ze geboren zijn een kast van een huis laten bouwen, als teken van hun succes. Het is een oud verlangen tussen de mensen die jou hebben opgevoed, die jou misschien vroeger helemaal niet zagen staan dan toch te schitteren. Om voor hen de geweldige bink of misschien ook wel de weldoener ‘dit ziekenhuis is geschonken door onze stadgenoot...’

Maar Jezus is niet aangenaam voor zijn vaderstad. Jezus die terugkomt in zijn vaderstad Nazareth houdt afstand. Hij weigert daar de man-van-zijn-mensen uit te hangen. Want Jezus wil nadrukkelijk niet denken in termen van clans en van 'onze eigen mensen'. Het leidt tot een denken van ons tegen de rest. In zijn meest extreme vormen zie je dat in een land als Syrië. De vader van de huidige heerser van Syrië, die ook de baas daar was, had ministers die allemaal uit zijn geboortedorp kwamen. Dat waren de mannen van zijn clan, die kon hij vertrouwen. Je ziet het op school: een moeder die het wangedrag van haar kind verdedigt tegenover de juf, want het is haar kind en zij zal opkomen voor haar kind en zo haar kind een steuntje in de rug geeft om door te gaan met klieren. Zo verpest ze de sfeer in de klas en verpest ze de opvoeding van haar kind.

Jezus breekt radicaal met dit soort doen en denken. Dit denken in termen van een clan, daar wil hij niets van hebben. ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft’ roept een vrouw uit de menigte naar hem. Maar Jezus antwoordt haar: Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven. En als tegen hem gezegd worden: Jezus, je broers staan op je te wachten, dan antwoordt hij: ieder die de wil van God doet is mijn broer en zuster. Paulus zal later zeggen tot zijn gemeente die uit joden en niet joden bestaat. In Jezus is er geen verschil meer tussen joden en niet joden en trouwens ook niet tussen slaven en vrijen en zelfs niet tussen man en vrouw. Maar jullie zijn één in hem.

Jezus wil zich verbinden met de mensen uit Nazareth wanneer hij naar de synagoge gaat, wanneer hij daar leest uit de boekrol. Dat is zijn verbonden-zijn met hen. Dan voelt hij zich temidden van broeders en zusters. Maar als hij ook maar het vermoeden krijgt dat ze hem claimen als één van hen op grond van zijn afkomst, reageert hij allergisch.

Wij leven in een vreemde tijd. We leven in een tijd dat je nog steeds ziet hoe funest het denken in termen van clans is. Alleen maar denken aan je eigen mensen . Of alleen maar in termen van ‘wij Nederlanders’. Trouwens niet alleen de verbondenheid van familiebanden kan vreselijk werken. Ook een old-boys-network van vriendjes die je van vroeger kent, kan buitenstaanders weren en bij de banken hebben we gezien hoe mensen die toch verantwoordelijkheid moesten nemen niet bereid waren elkaar aan te spreken. Tegelijkertijd leven we ook in een samenleving die al zo weinig verbanden heeft. De verbondenheid van mensen met elkaar staat onder druk. Mensen voelen zich niet zo vanzelfsprekend meer verbonden met anderen. Je zou verwachten dat met dit weer jonge mensen de sneeuw opruimen voor de ouderen, maar er zijn heel wat straten waarin dat niet gebeurt.
Dan is het belangrijk om de banden die er zijn te koesteren. Dat is die gekke verbondenheid van familie, die gebaseerd is op vertrouwdheid, eigen gewoontes, erfelijke eigenschappen, helemaal zo gek nog niet. Dat is iets om zuinig op te zijn. Als mijn moeder me om hulp vraagt in de eenzame Kerstperiode dan ga ik niet roepen: ‘ik kom niet, want hier zijn mijn broeders en zusters’. Dat zou alleen maar een soort smoesje zijn om te zeggen dat ik niet zoveel zin had. Het zou een goed praten zijn van mijn eigen harteloosheid.

Christus denkt verder dan de eigen stad. Hij denkt uiteindelijk wereldwijd. Hij denkt aan een verbondenheid van alle mensen. Een liefdesband, zoals God die heeft met hem, die wil hij tussen de mensen hebben, tussen alle mensen. Het is daarom belangrijk om banden van liefde en verbondenheid te versterken. Ik zou zeggen: wees zuinig op de banden die u heeft met familie en vrienden. Maar zie ze als een onderdeel van een wereldwijde verbondenheid van al Gods kinderen.

Lucas 4:21-30
Heerenveen, 31 januari 2010