Na de preekwedstrijd

Terug naar Actueel

Terug naar Homepage

Begin jaren negentig heb ik geprobeerd in Nederland een preekwedstrijd te organiseren. Ik was indertijd betrokken bij de IKON-radiokerkdiensten en het was altijd een hele klus om predikanten te vinden, waar je ook op de radio naar bleef luisteren. Ik was in die jaren zelf net begonnen als predikant en ik dacht: dat moet anders en beter kunnen. De preek is te mooi om te laten verslonzen en een concours zou de aandacht kunnen vestigen op de mooie kanten van de preek en de predikers kunnen uitdagen hun niveau te verhogen. Ik heb indertijd alle hoogleraren homiletiek van mijn kerk  benadert om hen te polsen voor dit idee. Er waren een paar bemoedigende reacties, maar een aantal reacties waren zeer afwijzend. Het ging daarbij natuurlijk om het punt: mag en kan je over een preek een wedstrijd houden, een discussie die bij de eerste Trouw-preekwedstrijd in 1997 ook meteen oplaaide. Zo fel waren een aantal reacties dat ik van het hele plan maar afgezien heb.

 


In 1997 trotseerde Trouw deze bezwaren en organiseerde de eerste preekwedstrijd. Aan deze wedstrijd heb ik zelf ook meegedaan, overigens zonder succes. In het jaar 2000 deed ik opnieuw mee. Dit keer hoorde ik bij de tien predikers die mochten meedingen naar een plaats in de finale. Ik moest een bandje inleveren met een preekfragment en dat deed mij -  terecht - de das om. Het was voor mij een aansporing om nog veel meer op presentatie en voordracht te gaan oefenen. Ook dit jaar heb ik meegedaan en afgelopen vrijdag viel opnieuw een brief met een negatieve uitslag in de bus.

 

Nu is zo’n brief natuurlijk een teleurstelling. Maar wie meedoet aan een schoonheidswedstrijd moet er tegen kunnen om ‘niet mooi (genoeg)’ genoemd te worden.

Toch blijft er iets bij me hangen over brief en juryrapport. Ik heb wel eens afwijzingen gehad die vriendelijker geformuleerd waren. “De kwaliteit van de inzendingen was  hoog en dit maakte het werk van de jury erg moeilijk” is een mooie en troostrijke standaardzin. Zo niet de jury van de preekwedstrijd 2005. De afgewezen kandidaten krijgen er flink van langs. Een greep uit het commentaar van de jury: “Ik zocht naar ‘blije’ preken, er was veel grijs en tot droefenis stemmend” “Ik werd in het algemeen niet erg vrolijk van het aangetroffen niveau van exegese”. Sprak docente homiletiek Ciska Stark aan het begin van de preekwedstrijd de hoop uit dat “deze keer de ’maatschappelijk relevante’ preek wint, eentje „waarin je het sociale klimaat voelt, de interreligieuze dialoog, en hoe de preker daarin een weg vindt”, na het lezen van tientallen preken verzucht een jurylid: ‘daar had je ze weer, Theo van Gogh, mevrouw Verdonk, de aanslagen enzovoorts”.

 

De vraag is natuurlijk: waar komt dit vandaan, deze toon van de jury, maar ook de behoefte om dit breed uit te meten tegenover de niet-genomineerde kandidaten. Overigens had de jury van de preekwedstrijd 2000 een enigszins gelijke ervaring, al werd dat toen wat verbloemder verwoord. Toenmalig voorzitter van de jury, senator mevr. Lodders-Elfferich, vertelde toen dat de jury gehoopt had op goede prestaties, om er met gevoel voor understatement aan toe te voegen: “In die verwachting zijn we niet altijd bevestigd”.

 

Blijkbaar is het lezen van veel preken een teleurstellende ervaring. Sterker nog, het is een ervaring die agressie oproept. En dat herken ik, want dat sluit precies aan bij mijn ervaring als luisteraar in een kerk.

 

Het schrijven van preken geeft me - ondanks al het geworstel - veel voldoening. Het is een moment van grote concentratie op de bijbel en je eigen geloof. Het houdt mij bij het geloof en verdiept mijn geloof. Ook de technische kanten vind ik prachtig: hoe bouw ik de preek op, hoe bereik ik de gemeenteleden.

Maar dan het luisteren naar de preken van anderen. Ach, ach. Soms is de exegese interessant, zelden voel ik me aangesproken en altijd ben ik blij als de preek voorbij is. Er zijn ook collega’s waar ik bewust nooit naar toe ga. Zij gooien zoveel agressie van de kansel dat ik me eerst weg voel krimpen onder hun geweld en vervolgens opgefokt de kerk verlaat.

 

Het luisteren en lezen van preken leidt tot teleurstelling en vooral ook boosheid. En dan had de jury nog het voorrecht de beste preken van het jaar te lezen. Kan je nagaan hoe het er aan toe gaat in de kerken van alle niet geselekteerden, of van de honderden predikanten die zoveel zelfinzicht hadden om niet mee te doen of wanneer de finalisten een dag eens wat mindere benen hebben.

 

De preek is het hart van de protestantse eredienst. De preekwedstrijden van Trouw beoogden dat hart te versterken en te doen stralen. Ironisch genoeg toont deze wedstrijd vooral hoe onmogelijk de preek is. Verbeteren van inhoud en presentatie haalt het lek niet boven water. De preekwedstrijd maakt duidelijk dat we een andere richting in moeten.


Wil ik de preek afschaffen? In ieder geval wil ik de preek weg hebben als centrum van de eredienst. Dat is geen nieuw programma, maar wel een urgent programma..

 

De kortsluiting tussen hoorders en predikant is niet alleen een probleem van de predikant. In de protestantse preek besteedt de gelovige veel uit, wat hij beter zelf kan doen. Hij zal toch zelf een verhouding moeten zoeken tot God, tot zijn geboden en liefde. Zij zal toch zelf een beeld van Christus in haar leven willen meedragen. Dat leer- en levensproces komt veel beter tot zijn recht in bijeenkomsten buiten de kerkdienst dan in de preek en daar hebben mensen het hard nodig om hun christelijke identiteit te versterken.

 

De preek is mijn core-business en mijn trots. Maar het moet anders.

Trouw 27 februari 2006

Het hart van de eredienst

In bijna alle protestantse kerkdiensten vormt de preek het hart van de dienst. Het begin van de dienst met zijn gebeden, wetslezing en liederen vormt de Intrede van de dienst. Ze leiden toe naar het hart van de dienst. Zelfs de Schriftlezingen functioneren in de praktijk als opmaat tot de preek. Na de preek krijgt de dienst al snel een andere richting en is de dienst gericht op het naar buiten gaan. Doordat de preek zo centraal staat hangt er nogal wat vanaf. Het is de koepel die het bouwwerk bijeen houdt.

Dit jaar heb ik voor de derde keer meegedaan aan de preekwedstrijd van Trouw en de NCRV. Tot mijn teleurstelling hoorde ik niet tot de twintig beste predikers. Bovendien kregen mijn collega’s en ik forse kritiek van de jury. Uit het juryrapport sprak irritatie en vermoeidheid over vele preken. Bij een vorige aflevering van de preekwedstrijd had de toenmalige de jury ook al kritiek op het niveau gehad. Maar toen zat ik met mijn preek dicht bij de top en kon ik nog denken: die kritiek betreft mijn collega’s, met mijn preken is niets mis. Maar deze keer betrof het oordeel van de jury wel degelijk mijzelf en wist ik: “ik ben die man”. Dat heeft mij aan het denken gezet.

Te meer daar de kritiek van de jury aansluit bij mijn eigen ervaringen als kerkganger. Soms word ik verrast door een mooie gedachte in de preek of door een mooie Schriftuitleg. Maar bij de meeste preken drijven mijn gedachten zachtjes weg en hoor ik de helft niet. Het boeit mij weinig, het bouwt mijn geloof weinig op. Soms vind ik het ronduit vervelend wat over mij uitgestort wordt en zou ik het liefste er even niet willen zijn of willen tegenspreken. Altijd ben ik blij als de preek is afgelopen. Het concert van gekuch en voetengeschuifel na afloop geven aan dat ik niet de enige ben.

De preek is in de reformatie centraal gesteld om het half-geletterde volk te onderwijzen in de Schriften en om Gods woord in het hier en nu te laten klinken. Die doelstellingen vind ik nog steeds belangrijk, maar de preek is daar geen goed middel voor. De afgelopen jaren heb ik in mijn gemeente een aantal gemeentegroeigroepen begeleid, een vorm die door het Evangelisch Werkverband ontwikkeld is. In deze bijeenkomsten bespreken de deelnemers bijbelgedeelten op zo’n manier dat ze hun eigen leven in brengen en groeien in geloof en kennis. Hier geen monoloog, maar een gesprek van velen waarin biografie, geloofsverdieping en nieuwe kennis worden verbonden. Dat werkt veel beter, terwijl zo’n groep ook nog eens een pastorale en missionaire kring vormt.

Predikanten krijgen altijd veel goede raad om hun preken te verbeteren: meer scholing, meer geloof, meer aandacht voor voordracht en presentatie, meer of juist veel minder actualiteit, gevoel, verhaal etc. Ik denk dat de predikant de problemen van de preek niet op kan lossen: de eenzame monoloog is niet in staat de eredienst te dragen. Predikanten stellen dit probleem niet zo snel aan de orde, want het is mooi werk om een preek te maken. Het verdiept je geloof en het is goed ambachtelijk werk. Het is een klein terrein waarop je als predikant nog koning bent en wie wil dat nou opgeven. Gemeenteleden vinden - meestal terecht - dat ze niet zo veel verstand van het maken van preken hebben en laten het maar over aan de predikant. Soms stemmen ze met hun voeten.

Ik wil in de eerste plaats wijzen op de ontoereikendheid van de preek. Maar tegelijkertijd moet je nadenken over wat je wel wilt met je diensten. Je moet tenslotte geen oude schoenen weggooien voordat je nieuwe hebt.
 
Ikzelf voel wel wat voor de wat meer behoudende Anglicaanse diensten, waar de dienst uitloopt op de Avondmaalsviering. Het centrum van de dienst is de communicatie met Christus door brood en wijn. Voorts zijn muziek en gebed belangrijke componenten. In zo’n dienst wordt wel gepreekt, maar de preek is kort. De preek krijgt minder nadruk, omdat de preek de dienst niet hoeft te dragen. Ik zou overigens ook wel eens willen experimenteren met een dienst waarin na de Schriftlezingen, direct Avondmaal wordt gevierd, in opzet vergelijkbaar met hoe vroeger de Katholieke diensten waren.

Een goede andere mogelijkheid is een dienst waarin lof, gebed en aanbidding centraal staan, zoals in meer evangelicale diensten. De spits van deze diensten kan een langdurig (collectief) gebed zijn. In de aanloop daar naar toe speelt de lofverheffing een grote rol. Die lofverheffing is deels muzikaal, deels worden de harten bij God gebracht door een korte tekst. Ook hier kan kort gepreekt worden om de Schriften uit te leggen. Maar vooral kort: eigenlijk alle evangelicale diensten die ik bezocht heb leden er onder dat de voorganger nog even stevig wilde uitpakken in de preek.

Sommige gemeenten zoeken alternatieven voor de preek in allerlei creatieve verbeeldingen. Ik vind dat prima voor een enkele keer, maar als vaste kerkganger ben ik ook gesteld op orde en continuïteit.

Ik hoop dat de preekwedstrijd aanleiding geeft tot discussie over de preek. Niet alleen als een zaak van de predikant, maar van de hele gemeente en de hele eredienst. Die discussie is niet nieuw, maar ze is wel hard nodig.

Friesch Dagblad 7 maart 2006